keramiek- of boetseer-werkstuk

Dun of dik

Met klei als grondstof kan men twee soorten werkstukken maken:

 

  1. dun: aardewerk / keramiek

Keramiek spat in duizend stukjes uit elkaar wanneer je het op de grond laat vallen. Vaak heeft keramiek een holle ruimte: beker, vaas, pot. Je hebt maar ‘weinig’ klei nodig voor een keramiekwerkstuk. Keramiek is best wel kwetsbaar. Eenmaal in scherven uiteengespat zijn er maar weinig mensen die de moeite nemen om alle stukjes weer in elkaar te passen en te lijmen. Bij CraB werken we alleen met handgevormde keramiek.
Afbeelding rechts: Camille Claudel (vriendin Auguste Rodin) aan het werk in haar atelier in Parijs 1887

 

  1. dik: boetseren

Door klei te kneden, er in te snijden, brokken klei toe te voegen krijg je een dik, zwaar boetseerwerkstuk. Een geboetseerd werkstuk is vaak heel zwaar. Wanneer een geboetseerd en gebakken werkstuk op de grond valt blijft het heel, springen er wat stukken af, of valt het werkstuk in grote brokken uit elkaar.

Zo’n werkstuk kun je meestal goed repareren met lijm, cement en wat gips. Je brengt de reparatie weer op kleur met verf. Boetseren is voor een kop, portret, mensfiguur, reliëf, een beeld met een betekenis.

 

  1. werkwijze